Lotgenoten – deel 1: Friedrich

In het boek ‘helmen in de achtertuin’ beschrijf ik de bevrijding van Maasmechelen en omgeving vanuit verschillende perspectieven. Naast verhalen van burgers en geallieerde soldaten speelt ook het relaas van Friedrich, de jonge soldaat op de cover, een prominente rol. De foto ontstaat vermoedelijk nog voor zijn achttiende verjaardag begin augustus 1944. Iets meer dan een maand later sneuvelt Friedrich op 17 september in Maasmechelen. Wie was hij en wat gebeurde er met hem?

Eveneens in september ’44 wordt Friedrichs ouderlijk huis getroffen door een bombardement. Zijn ouders, zussen en broertje – die de ramp overleven – kunnen enkel toekijken hoe hun thuis en bezittingen in vlammen opgaan. Het is omwille van die reden dat er haast geen brieven, foto’s of andere documenten over Friedrich bestaan. De schets van Friedrichs leven en zijn motivatie om als vrijwilliger naar de oorlog te trekken, is dan ook voornamelijk gebaseerd op herinneringen van zijn oudste zus.

Eén van de moeilijkste passages bleek de reconstructie van Friedrichs laatste levensfase: zijn legerdienst. Die wordt sterk beïnvloedt door de geallieerde invasie op 6 juni 1944, beter gekend als D-Day. Nog meer worden die laatste maanden bepaald door wat er daarna gebeurt: de chaotische terugtrekking van de Duitse strijdkrachten uit Frankrijk naar België en de hevige gevechten die daarop volgen.

Taxis to Hell – and Back – Into the Jaws of Death – R.F. Sargent; Public Domain; https://en.wikipedia.org/wiki/Into_the_Jaws_of_Death

Door het gebrek aan gegevens uit eerste hand, ging ik op zoek naar informatie over leeftijdsgenoten die in dezelfde eenheid als Friedrich dienden. In het boek vind je een uitgebreid verslag van hoe enkele van deze jongeren de dramatische zomer van ’44 meemaakten en hoe dat hun denken en handelen beïnvloedde.

Enkele nieuwe verhalen in die reeks zijn die van Gernot Prilop en Franz Sauerzopf. Net als Friedrich melden ze zich in 1944 bij de Duitse luchtmacht (Luftwaffe) en komen ze terecht in zogenaamde Flieger-Ausbildungs-Regimenter. Dit zijn opleidingseenheden waarin nieuwelingen tijdens een achtwekelijkse militaire basisopleiding klaargestoomd worden tot volwaardige luchtmachtsoldaten. Op basis van hun capaciteiten, eventuele beroepsvoorkennis en eigen motivatie stromen de rekruten vervolgens opnieuw door. Daarna begint een specifieke opleiding tot piloot of vliegtuigbemanning, technisch personeel, para- of grondtroepen. Franz en Gernot voegen zich bij het Flieger-Regiment 53, Friedrich komt bij het 22e regiment terecht.

Franz Sauerzopf

Collectie Karsten Conaert

Gernot Prilop

Collectie Karsten Conaert

Naarmate de oorlog vordert en de geallieerden in alle windrichtingen doorbreken, neemt de situatie aan het front steeds extremere vormen aan. Op de geallieerde overmacht aan materieel, vuur- en mankracht heeft de Duitse legerleiding geen antwoord. Vanaf augustus ’44 storten de linies in Frankrijk definitief in elkaar.

Na de snelle geallieerde bevrijding van Brussel en de Antwerpse binnenstad bouwen Duitse troepen achter de Kempische en Limburgse kanalen haastig nieuwe stellingen op. De waterwegen vormen de slagaders binnen die defensieve strategie, maar ze zijn fragiel. Al snel slaan de geallieerden opnieuw een bres in de Duitse verdediging.

Om de gaten in kritieke fronten – niet enkel in België – te dichten, voert het Duitse leger in ijltempo versterkingen aan. Als gevolg worden de Flieger-Regimenter gedeeltelijk overgeheveld naar landstrijdkrachten, tankeenheden of zelfs Waffen-SS-troepen met een dringend tekort aan manschappen. Jongeren als Franz, Friedrich en Gernot zien hun kans om als Fallschirmjäger of gevechtspiloot tot Duitse “elitetroepen” te behoren in rook opgaan. Ze zullen nooit een vliegtuig van dichtbij te zien krijgen.

In deel 2 en 3 van deze reeks lees je binnenkort meer over Franz Sauerzopf en Gernot Prilop. In het boek ‘Helmen in de achtertuin’ lees je het volledige verhaal over Friedrich.

Duitse stafkaarten: ‘Lage West’: 10.09.1944 en 15.09.1944; http://www.wwii-photos-maps.com

Op deze Duitse stafkaarten zie je links de frontsituatie (blauwe stippellijn) op 10 september 1944. In de Kempen en in Limburg stopt de geallieerde opmars grotendeels aan het Albertkanaal. In vijf dagen tijd verschuift het front zich bijna volledig naar de Zuid-Willemsvaart en het kanaal Bocholt-Herentals. Interessant is de uitstulping tussen Lommel en Neerpelt. Vanuit deze streek wordt in september ’44 het grondoffensief van Operatie Market Garden gelanceerd.

Het bos van Below

Heb je ook zo’n plek waar het verleden zo tastbaar wordt dat je het bijna kan “voelen”? Het Belower Wald in Duitsland is voor mij zo’n plaats. De omgeving alleen al: absurd weinig inwoners per vierkante kilometer en niets dan velden, bossen en meren. Het soort landschap waar je je klein en eenzaam voelt, typisch Mecklenburg-Vorpommern dus. Je kan er behoorlijk lang wandelen en op je pad meer dieren dan mensen aantreffen.

Een bos met een verleden

Het gehucht Below (uitgesproken als bé-loo) is zo klein dat je’t niet eens vindt op Google Maps. Als oriëntatiepunt voor je gps gebruik je best het indrukwekkende landhuis (Gutshaus Below), dat vlakbij het bos ligt, of het stadje Wittstock. Los van het pittoreske landschap vind je hier tastbare sporen van een tragisch verleden.

Van 23 tot 29 april 1945 is het bos een tijdelijke onderkomen voor meer dan 16.000 mensen. Net voor het Rode Leger het concentratiekamp Sachsenhausen – op een steenworp van Berlijn – bevrijdt, stuurt de SS-kampbewaking tienduizenden gevangenen op gedwongen voetmarsen in noordwestelijke richting. Waar ze heen gaan, weten enkel de SS’ers.

Tijdens de tocht is er gebrek aan alles: voedsel, drinkwater, medische verzorging, warme en regenbestendige kledij. Velen zijn of worden ziek. Door de dramatische leefomstandigheden en het geweld in het kamp zijn talloze gevangenen fysiek erg verzwakt. Nu worden ze op sommige dagen tot wel 40 kilometer per dag voortgedreven. Iedereen die niet verder kan, riskeert door de bewakers vermoord te worden. Naast wegen blijven talloze lijken achter.

Gevangenen in Sachsenhausen, 1938bron

Dodenmarsen

De zogenaamde Todesmärsche of “dodenmarsen”, zoals ze na de oorlog genoemd worden, vormen het laatste hoofdstuk van twaalf jaar terreur, onderdrukking en moord tijdens het naziregime. Ze nemen in heel Europa plaats en hangen samen met de ontruiming van concentratiekampen, kort voor geallieerde troepen het kamp en de omliggende regio bevrijden. Bijgevolg vindt het merendeel van de dodenmarsen plaats tijdens de laatste oorlogsmaanden, weken en dagen. Niet onbelangrijk: de misdaden vinden nu niet meer in de kampen zelf plaats, maar in het openbaar, in steden, op het platteland, in kleine dorpen en straten. Iedereen is getuige.

Schilderij van overlevende Gino Pezzani, 1950bron

Waldlager

Wanneer de lange, troosteloze kolonnes in Below halt houden, slaat de SS in het bos een provisorisch kamp op, omringd met bewakers. Van ontsnappen is geen sprake. In de loop van zes dagen (over)leven tussen de bomen duizenden mensen. De kleine hutjes gemaakt van takken en kreupelhout geven weinig beschutting tijdens de bitter koude nachten. De mars gaat verder en voert de uitgeputte mannen, vrouwen en kinderen nog eens 100 kilometer verder. Diegenen die overleven, worden begin mei door Russische of Amerikaanse troepen bevrijd. De SS-bewakers zijn dan al gevlucht.

Overleven

Waarom mist deze den een deel van zijn schors? In Below laat de SS toe dat medewerkers van het Internationale Rode Kruis levensmiddelpakketten kunnen verdelen. Dat geeft de gevangenen een sprankeltje hoop, maar er is een probleem: er is niet genoeg voor iedereen. Lege conservenblikken worden geplooid en omgevormd tot primitieve raspen. Daarmee snijden gevangenen boomschors af, die ze fijnsnijden en met regenwater uit plassen mengen tot een soort brei.

In de schors van deze beuk zie je de contouren van een pad dat naar een huis leidt. Op de afdruk rechts zou verder een meer afgebeeld zijn. Aan de rand ervan staat een huisje, vermoedelijk een sauna. De afbeelding bevindt zich erg laag op de stam. Het is mogelijk dat de persoon die de gravure maakte, te zwak was om te staan en de tekening daarom zittend in de boom kerfde. De motivatie achter het kunstwerkje is allicht heimwee en de herinneringen aan thuis.

Rechts: infopaneel documentatiecentrum Todesmarsch im Belower Wald

Stille getuigen

Dit bos vertelt het verhaal van enkele verschrikkelijke dagen in ’45, in het grotere verhaal slechts een momentopname. Toch is bijna elke boom een stille getuige van mensenrechtenschendingen en misdaden van de SS. Nog meer vertellen ze het relaas van honderden slachtoffers van het nationaalsocialisme. Al meer dan 75 jaar tonen ze de sporen hiervan in hun bast.

Tijdens mijn bezoek aan Below is het broeiend heet. De dichte boomkruinen van beuken, dennen en eiken scheppen een aangename koelte. Ik probeer het verhaal in me op te nemen. Wat ooit rondom me gebeurde, is moeilijk te vatten. In het bos word ik een opmerkelijke, bijna drukkende stilte gewaar. Ik wandel terug naar de parking naast het nabijgelegen documentatiecentrum. Net voor ik wil instappen, ritselt er iets in het struikgewas naast de auto. Het is een reekalfje. Twee oogjes priemen door de bladeren en kijken me bang aan. Bij het verlaten van het bos, draai ik dezelfde weg op die de gevangenen ooit namen.

Foto’s Belower Wald: Karsten Conaert

Lees ook: Van mens naar nummer

Soldaten op de Heirbaan

15 september 1944: Duitse troepen hebben zich uit Opgrimbie teruggetrokken. Aan de kerk vereeuwigt hobbyfotograaf Jan Zjang Mechels een geallieerde kolonne jeeps, pantservoertuigen en soldaten. Zjang heeft zijn handen vol en neemt die dag een reeks unieke bevrijdingsbeelden.

Photoshop: Frank Quax

De troepen op de foto behoren mogelijk tot het 82nd Reconnaissance Battalion, een Amerikaanse eenheid die meerdere Limburgse dorpen en gemeenten bevrijdt. Ook de dertienjarige Josef Crijns (rechts) trekt er op uit. Net als vele anderen is hij nieuwsgierig naar wat er allemaal gebeurt in het dorp.

De kasseienbaan die de Heirstraat ooit was, behoort ondertussen tot een ver verleden. Ook de dorpskern is na 76 jaar sterk veranderd.

Historische foto: Jan Mechels; Stichting Erfgoed Opgrimbie Vroeger en Nu
Hedendaagse foto: Bram Machiels

Voorbij, maar niet over

Over wonden die je niet kan zien

11 november 1918, 11.00 uur: de wapens zwijgen, maar de tol is hoog. Tussen vreugde, vrijheid en puin hinkt een oorlogsinvalide. In ziekenhuizen stromen ook mannen toe zonder fysieke verwonding. Ze staren, stotteren, spreken niet. Hun handen beven, sommigen kunnen plots niet meer lopen. “Shellshock”, zeggen de dokters. Iets dat later als posttraumatische stressstoornis omschreven wordt.

De velden, tijdens vier jaar herschapen tot modderige moordvlakten, tekenen het landschap met tienduizenden graven. Velen keren nooit meer terug naar huis. En als ze dat wel doen, zijn ze vaak niet meer diezelfde vader, broer of zus die ze waren toen ze vertrokken.

Cornelis Doumen uit Mechelen-aan-de-Maas trekt in 1914 naar het front en overleeft de waanzin. Hij wordt leraar mechanica op het Heilig-Hartcollege en staat bekend als een stille, maar taaie man. Thuis kan hij soms plots vreselijk boos worden. Zijn familie wijt het aan ’14 – ’18. Eind jaren vijftig overlijdt Cornelis.

De laatste fysieke voorwerpen ter herinnering aan de oorlogservaringen van Cornelis Doumen. Collectie familie Kuipers-Doumen

Een handvol herinneringen en een paar spullen is het enige dat van de oorlogsjaren overblijft. “Opa sprak er niet over”, klinkt het. Cornelis was houder van de ‘vuurkaart’, een ereteken voor ex-veteranen. De tekst op de herinneringsmedaille luidt: “IJZER – NIET OVER…”. Dat klopt. In 1918 stopte het geweld, maar voor diegenen die de oorlog meemaakten of overleefden, ging hij soms nog lang door.

Ereteken voor ‘houders van de vuurkaart’

Van mens naar nummer

Over Maasmechelaren in concentratiekampen

Wanneer ik het voormalige concentratiekamp Buchenwald bezoek, begroet me de kleine toegangspoort met de cynische woorden Jedem das Seine, ieder het zijne. Iets verderop ligt Weimar, stad van grote dichters als Goethe en Schiller. Ik lees enkele cijfers: 280.000 gevangenen, meer dan 56.000 doden. Hier werden mensen opgesloten vanwege hun afkomst, overtuiging, geloof of seksuele geaardheid. Hier werden ze vermoord of stierven ze als gevolg van ondervoeding, ziekte, dwangarbeid en medische experimenten. Voor de nazi’s waren ze simpelweg unerwünscht. Ongewenst.

Op een zomerdag slenter ik langs de Maas in Vucht. Ik passeer de kerk en denk aan een trouwfeest van vrienden. Een mooie dag, blije gezichten. Plots trekt een gedenkteken mijn aandacht, vol met namen van oudstrijders, verzetsmensen, politieke gevangenen en dwangarbeiders. Iemand heeft er een bloem neergelegd.

De heemkundige kring van Vucht legt uit dat het gaat om Agnes Claessens, haar man Joseph ‘Jef’ Sieczka en haar vader Mathieu. Jef wordt geboren in het Duitse Rijnland, maar is van Poolse afkomst. Op 14 januari 1944 wordt de 65-jarige Mathieu Claessens, ex-mijnwerker en veteraan van ’14 – ’18, door de Gestapo aangehouden. De aanklacht? Hulp aan gewapende weerstanders. Ook Jef en Agnes worden meegenomen.

Jef (links), Agnes en Mathieu (rechts) overleven de kampen en keren terug naar de Kanaalstraat in Vucht. Hier poseren ze met hun gestreepte uniform tijdens de bevrijdingsfeesten in 1945.

Via de gevangenis van Hasselt komen Mathieu en Jef in het Auffanglager Breendonk terecht: een fort van het Belgisch leger dat sinds 1940 omgevormd is tot politieke gevangenis. Onder druk van de geallieerde opmars wordt Breendonk rond 6 mei ’44 een eerste keer ontruimd. Jef en Mathieu worden op transport gezet met bestemming Buchenwald. Aan een hels tempo moeten ze de Duitse oorlogsmachine draaiend houden. In het kamp zijn Mathieu en Jef niet meer dan gevangenen 48.472 en 48.474.

Agnes wordt begin juni ’44 gedeporteerd naar het kamp Ravensbrück, ten noorden van Berlijn. Tussen 1939 en 1945 worden er ca. 120.000 vrouwen en kinderen, 1.200 tienermeisjes en 20.000 mannen opgesloten. Agnes verricht er dwangarbeid. Het is mogelijk dat ze kledij maakte voor het Duitse leger of in de Siemensfabriek werkte. Precies: die Siemens van je staafmixer…

Maar er is nog een verband tussen Buchenwald en Maasmechelen. Kort nadat Amerikaanse troepen het kamp op 11 april ’45 binnen trekken, komen ook enkele bevrijders van Maasmechelen in het kamp terecht. Bataljonarts Raymond Minge en sergeant Morten Tuftedal van het 99th Infantry Battalion Separate geloven amper wat ze er zien.  

Raymond Minge:

In één van de barakken tref ik honderden gevangenen aan. In het hospitaal is de situatie niet anders. Patiënten liggen er in het rond, sommigen kunnen niet meer spreken of opstaan door verzwakking. In het kamp zie ik ouderen, kinderen, professors en muzikanten, mensen van over heel Europa. Deze plek opent mijn ogen.

Wanneer ik zelf over het oude kampterrein in Buchenwald loop, is de brute realiteit moeilijk te vatten. De leegte op het terrein is enorm. De stilte lijkt wel oorverdovend.

Morten Tuftedal:

In de stad beweren ze dat ze niets afwisten van wat hier gebeurde. Wij hebben daar onze twijfels bij en trommelden burgers op om in het kamp met eigen ogen de misdaden van de nazi’s te aanschouwen. Sommigen huilden, anderen vielen flauw. Ook thuis schijnen ze niet te geloven dat dit alles werkelijkheid is. Ik ook niet, totdat ik het met eigen ogen zag.

Een artikel naar aanleiding van de 75e herdenking van het einde van WOII. Met dank aan Heemkundige Kring ‘Vochte’, 99th Infantry Battalion Foundation en de familie Minge. Dit artikel werd ook gepost op Ooitaandemaas.

Foto’s Buchenwald: Karsten Conaert; foto Ravensbrück: Bundesarchiv, Bild 183-1985-0417-15 / CC-BY-SA 3.0

In de voetsporen van soldaten langs de Zuid-Willemsvaart

Over perfecte Photoshop

Rond 17 september ’44 wordt in Boorsem een kolonne Duitse krijgsgevangenen afgevoerd richting Uikhoven. Twee gekwetste soldaten, ondersteund door hun makkers, hinken de groep nog achterna. Een Amerikaanse soldaat houdt hen nauwlettend in het oog, achteraan links kijken twee dorpelingen nieuwsgierig toe.

Foto: Frank Quax; historische foto: 99th Infantry Battalion Foundation

Aan de hand van de originele foto lokaliseerden we de plaats langs de Zuid-Willemsvaart waar deze foto genomen werd. Met Photoshop liet Frank Quax beide beelden naadloos in elkaar overlopen, waardoor het lijkt alsof het verleden weer tot leven komt!

Meer weten? Lees er meer over in het boek ‘helmen in de achtertuin’. Over deze foto postten we ook een artikel op Ooitaandemaas!

Brutale gevechten tijdens de bevrijding van MM

Over Siegfried en Thelmer

17 september 1944: voor velen de dag waarop ‘Market Garden’ van start gaat. Na de bevrijding van België moet dit geallieerde offensief vanuit Leopoldsburg en Lommel een brug slaan naar de bevrijding van Nederland en Duitsland.

Geallieerde parachutisten landen in Nederland tijdens Operatie Market Garden; archives.gov, public domain

Maar op andere plaatsen in Limburg wordt die dag ook nog gevochten. Tussen Zuid-Willemsvaart en Maas in Maasmechelen komt het in Uikhoven, Boorsem en Kotem tot schermutselingen en gevechten. Terwijl de 23-jarige medic Thelmer Thompson enkele gewonden verzorgt, wordt hij dodelijk geraakt door een Duitse sluipschutter. Die wordt door Thelmers makkers omsingeld en gedood. De oorlog toont zich in al zijn brutaliteit. Ook de 18-jarige Duitse soldaat Siegfried Müller komt die dag om het leven. Hij is één van de vele tienersoldaten die in Maasmechelen ingezet worden. Ze hebben amper gevechtservaring en tegen de Amerikaanse tanks van de 2nd Armored Division maken ze geen schijn van kans. Velen van hen sneuvelen. Siegfried wordt later herbegraven naar de Duitse militaire begraafplaats van Lommel, waar vandaag meer dan 39.000 soldaten begraven zijn. Thelmers graf bevindt zich op de begraafplaats ‘Trinity Cemetery’ in Spring Grove, Houston County in de Amerikaanse staat Minnesota.

Lees er meer over in het boek ‘helmen in de achtertuin’.


Links: Siegfried Müller/ Duitse militaire begraafplaats Lommel; foto: Karsten Conaert
Rechts: Thelmer Thompson; findagrave.com

Noren in Maasmechelen tijdens WOII?

Takk norske og amerikanske soldater!

Een Noor in Amerikaans uniform die Maasmechelen mee bevrijdt? Precies! En hij is niet de enige. Anton Olsen Wilberg maakte deel uit van het ‘Noorse’ 99th Infantry Battalion en sneuvelde op 17 september 1944 in Maasmechelen. Who knew: onze vrijheid heeft een Scandinavisch kantje! Vandaag vind je Wilbergs graf op de Amerikaanse militaire begraafplaats van Henri-Chapelle, waar ongeveer 8.000 soldaten begraven zijn. Op donderdag 17 september, 76 jaar later, brachten we hulde aan de slachtoffers tijdens een live herdenkingsmoment op Facebook.

Lees er meer over in het boek ‘helmen in de achtertuin’. Over het ‘Noorse’ 99th Infantry Battalion Separate postten we ook een bericht op Ooitaandemaas.

Antons graf op de begraafplaats in Henri-Chapelle
Het begrafenisformulier van de 43-jarige Noor Anton Olsen Wilberg is een bewijs van de brutale gevechten in Maasmechelen tussen 14 en 18 september ’44. Terwijl Antons dood geschat wordt op 16 september, toont het ochtendrapport van zijn compagnie aan dat hij een dag later sneuvelde. Een schot in de rug en het been werden hem fataal. Uit boek: ‘Helmen in de achtertuin’

Wie was Martha Janssen-Leyder?

“Wie strijdend sterft, wint roem en doodt de dood.” – William Shakespeare

In het boek ‘helmen in de achtertuin’ vind je deze foto uit de collectie van Stichting Erfgoed Eisden. Hij werd gemaakt kort na de bevrijding van Eisden-Dorp op 18 september 1944. Na vier jaar keert de langverwachte vrijheid eindelijk terug. Er is heel wat op til, mensen beklimmen de Amerikaanse ‘Sherman’-tank zelfs om te zien wat er gaande is. Het duo soldaten kijkt de volkstoeloop geamuseerd toe. Naast de jongen met de Belgische driekleur op de eerste rij staat een meisje in een wit jurkje. Haar mond valt open van verbazing bij het zien van de volgende tank die uit de richting van het Vrijthof over straat dendert. De foto blaakt van dynamiek en bevrijdingseuforie.

Uit: collectie Stichting Erfgoed Eisden
Via Photoshop brengt fotograaf Frank Quax vroeger en vandaag samen. Heel even lijkt het verleden weer tot leven te komen.

Het huis op de foto bevindt zich op de kruising van de Geeststraat en de Langstraat in Eisden-Dorp en staat er vandaag nog steeds. Ooit was het de thuis van Martha Janssen-Leyder. Tijdens de oorlog zat ze in het verzet tegen de nazi-bezetting van België. Op 10 november 1946 overleed ze in Croydon, in het Britse graafschap Surrey. Ter nagedachtenis werd voor haar naast de voordeur een gedenkplaat ingemetst. Maar wie was Martha? Wat maakte ze tijdens de oorlog mee en wat was de oorzaak van haar dood? Weet jij meer? Neem contact met ons op!

‘Hier woonde ons trouw en dapper medelid Martha Janssen-Leyder. Overleden te Croydon, Surrey op 10.11.1946.’ Foto: Bram Machiels

Oud ijzer? Majèh gij!

Over een vondst ‘ten velde’

Deze voorwerpen werden jaren geleden gevonden in natuurgebied Maaswinkel, op een hoopje naast een veld. Oud ijzer voor de een, is soms een schat voor een ander. En gelijk had de vinder. Het zijn enkele waardevolle overblijfselen van het Maaslandse oorlogsverleden.

Dit is geen vooroorlogse Vitual Reality-bril, maar een lader van een MG-15 machinegeweer. Aan het begin van de oorlog wordt dit type zware mitrailleur gebruikt als afweergeschut op Duitse bommenwerpers. Wanneer de geallieerden in september 1944 door België oprukken, worden Duitse reserves in allerijl aangevoerd. Aan de haastig bij elkaar geraapte troepen wordt bij gebrek aan beter vaak de ‘oude’ MG-15 uitgedeeld. Deze lader werd gelukkig zonder munitie aangetroffen.

Dit stukje metaal is een onderdeel van het trekkermechanisme van een Panzerfaust antitankwapen (letterlijk ‘pantservuist’). Het gebruik ervan was een gevaarlijke klus. De Faustpatrone had een bereik van max. 150 meter, waardoor Duitse soldaten gevaarlijk dicht tot bij een voertuig moesten naderen om hem af te vuren. Deze ‘buis met granaat’ kon grote schade aanrichten en was een gevreesd wapen. Toch zijn de Duitse luchtmachtsoldaten, die tussen 14 en 18 september in Maasmechelen ingezet worden, geen partij voor de Amerikaanse ‘Stuart’ en ‘Sherman’ tanks.

De vondst bevatte vier afdekhoezen in ‘klaverbladvorm’ voor artilleriegranaten van een Amerikaans 105mm artilleriegeschut en een deksel van een munitiekistje voor het .30 machinegeweer. Bewijs genoeg dus voor de hevige gevechten aan kanaal en Maas!

Foto’s voorwerpen: Bram Machiels